László Baranyi was vrijheidsstrijder tijdens de Hongaarse opstand in 1956.

László Baranyi (1926), Hongarije, 23 oktober 1956

“Ik klom op een reling om het beter te kunnen zien: voor mijn ogen werd het standbeeld van Stalin neergehaald. ‘Whoeeeeeee’ klonk het uit duizenden kelen tegelijk. Het voelde als een vulkaansuitbarsting.

“Al mijn collega’s waren opgewonden, iedereen wilde iets doen. Maar mijn moeder had me gewaarschuwd. Ik was 29, ik had gevochten in de Tweede Wereldoorlog. Ik had levens gered, ik was in levensgevaar geweest – ik had mijn portie gehad, zei ze. Bovendien was ik net getrouwd. De revolutie moest ik nu aan de jonge mensen overlaten. Ik gehoorzaamde. Ik deed niet mee.

“De volgende dag hoorde ik tanks in de verte – dat moesten de Amerikanen zijn, om Hongarije te bevrijden. Het leek me duidelijk dat de demonstranten aan het winnen waren. Ik kon niet wachten het centrum te bereiken.

“Maar naarmate ik dichterbij kwam, hoorde ik geluiden die ik kende uit de oorlog: gehuil, gekrijs. Het Kossuth plein was bezaaid met lichamen, overal was bloed. Ik begon als een gek gewonden naar ambulances te dragen. Toen ik uren later het plein verliet, was er in mij iets veranderd, alsof er een schakel was omgezet. Ik voelde enkel vastberadenheid: ik moest me aansluiten bij de rebellen. Ik dwaalde door de straten, presenteerde mezelf aan onbekenden: ik wist hoe ik een wapen moest gebruiken, waar kon ik me melden?

“Bij de verzetskrant De Waarheid gaven ze me een shot sterke drank, ik kalmeerde. Ze gaven me een wapen. Dagenlang hoefde ik het niet te gebruiken; de Sovjettroepen trokken zich terug. Maar bij het hoofdkwartier van de Communistische Partij zaten rebellen gevangen, de menigte vroeg om hun vrijlating. Sommige rebellen wilden wraak, en beschoten het gebouw van de Partij. Ik zei dat ik het er niet mee eens was. Wij wilden juist nieuwe regels: geen eigenrecht, niet muiten, de revolutie moest ‘schoon’ blijven. Maar ineens openden de soldaten vanaf het partijgebouw het vuur op de menigte. Dat was het moment dat ik mijn wapen oppakte en meevocht.

“De dagen na het gevecht was er ondanks alles veel vreugde, we geloofden dat de nieuwe tijd was aangebroken. We hoefden alleen nog te wachten op de westerse troepen.

“En toen vielen de Sovjettroepen binnen. Wij verspreidden krantjes, probeerden de hoop levend te houden. Verwachtingsvol luisterden we naar Radio Free Europe. Daar vertelden ze ons hoe we molotovcocktails moesten maken. Ik huilde toen ik dat hoorde, ik wist: niemand komt ons helpen, we zijn verloren.”

icp_isa_01_protestbeeld

De Hongaarse opstand in 1956

Wat begint als een studentendemonstratie op 23 oktober 1956 in Budapest, zwelt aan tot een massale opstand tegen het communistische bewind. Demonstranten dragen de Hongaarse vlag met een gat erin: het communistische embleem hebben ze eruit gescheurd. Burgers richten verzetsgroepjes op en vechten tegen de Hongaarse geheime dienst ÁVH en de Sovjetsoldaten. De revolutie lijkt te werken. Moskou beveelt de Sovjettroepen in Budapest zich terug te trekken, en de hervormingsgezinde Imre Nagy grijpt de macht. Op 1 november kondigt hij aan dat Hongarije zich terugtrekt uit het Warschaupact. Op 4 november rijden Russische tanks Boedapest binnen en vermorzelen de revolutie. Bijna 200 duizend Hongaren ontvluchten het land.