“De ene dag ben je een tegenstander, de volgende dag houd je je mond”

Verdieping

4 minuten Door Roos Menkhorst

Burgerlijke ongehoorzaamheid was in de DDR nauwelijks mogelijk. Dat zegt de Berlijnse historicus Ilko Sascha Kowalczuk. Hij doet al jarenlang onderzoek naar het Stasi-archief. “Je afzetten tegen het systeem begon daarom vaak met het overtreden of negeren van bepaalde regels.”

Pinksteren 1987: vlak voor de Reichstag werden drie avonden lang wereldberoemde acts geprogrammeerd. Genesis, met Phil Collins, Eurythmics en David Bowie. Dit ter ere van het 750 jarig bestaan van de stad Berlijn. Zeker 60 duizend West-Berlijners kwamen kijken. Nog eens een paar duizend Oost-Berlijners probeerden zo dicht mogelijk bij de Brandenburger Tor te komen, de grens tussen Oost en West, om zoveel mogelijk van het concert te horen. Op een afstand luisterden ze naar David Bowies’ ‘We can be heros, just for one day’.

Tijdens de eerste twee concerten ging het er nog vreedzaam aan toe. De bijeenkomst van de Oost-Duitsers bij de Brandenburger Tor was toen nog geen demonstratie. “Ik wilde eigenlijk vooral één keer in mijn leven zo dichtbij de rocksterren zijn,” zegt een van de bezoekers jaren later. De derde avond verliep grimmiger. Spontaan ontstond er op dat moment een massaprotest: ‘Die Mauer muss weg, weg, weg’, en ‘Gorbi, Gorbi!’, schreeuwden ze. Die avond braken er rellen uit, die hard werden neergeslagen door de politie. Honderden mensen werden opgepakt.

De concerten bij de Reichstag worden achteraf als een belangrijk moment van burgerlijke ongehoorzaamheid gezien; onder andere door deze avonden kreeg een groep mensen de moed om in 1989 een revolutie te beginnen.

“Pas veel later heb ik gedacht: ik had meer moeten doen. Maar op dat moment was ik ervan overtuigd dat ik met pensioen zou gaan in de DDR,” zegt historicus Ilko Sascha Kowalczuk (1967), geboren in Oost-Berlijn. Hij doet al jarenlang onderzoek naar de DDR en naar hoe burgers hun onvrede met het systeem probeerden te uiten. Kowalczuk vervolgt: “Als ik had geweten dat het in 1989 allemaal in elkaar zou storten, was ik iedere dag de straat op gegaan. En had ik mij tot honderd jaar gevangenis laten veroordelen. Maar dat wist ik niet.”

Protest tegen de regering Honecker zwol aan in 1989.
Protest tegen de regering Honecker zwol aan in 1989.
Van kinds af aan groei je op met een allesoverheersende angst, zegt Kowalczuk. “Je weet precies waar je niet over mag praten met je ouders, en waar je niet over kan praten op school. Er zijn regels voor hoe je eruit moet zien en welke televisiezenders je kijkt. Je houdt je mond omdat je anders misschien in de gevangenis komt. En mijn moeder hield haar mond omdat ze bang was dat ik anders uit huis zou worden geplaatst.” Dat gebeurde niet, maar die angst kregen wel alle kinderen mee, vertelt hij. “Het kwam de machthebbers maar wat goed uit. Iedereen dacht altijd: de Stasi is overal en alomtegenwoordig. Al was dat natuurlijk niet waar.”

In een systeem met zo ontzettend veel regels, begint burgerlijke ongehoorzaamheid met het afzetten tegen die regels. “Je ziet dat mensen op een gegeven moment bepaalde regels beginnen te overtreden.” De DDR-expert herinnert zich een moment dat hij op school, als vijftienjarige, een anti-communistische opmerking had gemaakt. “Dat stond de leraar niet aan. Als straf werd de hele klas de pauze ontzegd. Vervolgens moesten we luisteren naar zijn verhaal over het succes van de DDR, en waarom ik een idioot was.” Kowalczuk had daarna een probleem, niet om wat hij had gezegd, maar omdat hij de pauze van zijn medescholieren had verpest. “De meeste mensen speelden de regels niet alleen mee uit angst, maar ook omdat ze geen ergernis bij hun medemens wilden veroorzaken.”

Kowalczuk besloot als vijftienjarige om niet meer ‘mee te spelen’, hij was niet van plan om de weg die zijn vader – hij was communist – voor hem had uitgestippeld te volgen. Al was het – achteraf gezien – misschien niet eens een echte keuze. “Ik wilde vooral vrij ademen. Pas toen het systeem reageerde met allerlei maatregelen, heb ik gedacht: ‘goed, ik ben dus een tegenstander’.

Voor Kowalczuk waren de consequenties behoorlijk: hij mocht geen eindexamen doen en hij kon ook niet naar de universiteit. In plaats daarvan deed hij een opleiding om bouwvakker te worden. “Maar ik had geen zin om als bouwvakker aan het werk te gaan, dat leek me veel te inspannend.” Hij vond een baan als portier bij een klein instituut in het zuiden van Berlijn. “Dat deden meer mensen zoals ik: ze zochten baantjes als tuinier bij een begraafplaats, of ze werden portier net als ik. Baantjes die laag in aanzien stonden. Je verdiende heel weinig geld, maar de staat liet je tot op zekere hoogte met rust: ‘Ok, we hebben het begrepen, je wilt niks met ons te maken hebben. En zolang je niet demonstreert laten wij jou ook met rust.’” Na de val van de Muur kon Kowalczuk eindelijk studeren. De DDR werd zijn onderzoeksthema. “Het was zeker niet mijn plan om mijn hele carrière in het teken van onderzoek naar de DDR te plaatsen, maar zo lopen die dingen nou eenmaal.”

Van een grote politieke oppositie was in het laatste decennium van de DDR volgens Kowalczuk zeker geen sprake. “De Stasi stelde dat het om een paar duizend mensen ging. Maar met dat soort aantallen moet je oppassen natuurlijk.” Hij weet wel dat het om een relatief kleine groep ging. “De groep mensen die geprobeerd heeft om zijn burgerlijke ongehoorzaamheid te tonen is natuurlijk veel groter,” aldus de historicus. Hij somt op: de jongeren die tijdens concerten schreeuwden dat de muur moest worden opgebroken, maar ook de Union-fans die ‘Stasi-Schweine’ riepen tijdens een wedstrijd tegen BFC Dynamo. De jongeren die niet mochten studeren omdat ze ze niet bij het leger wilden. Of de mensen die zich plotseling tot het Christendom bekeerden en acties voorbereiden in de kerk. Toch ligt het altijd genuanceerder dan je denkt, benadrukt Kowalczuk: “Bijna niemand is altijd dezelfde persoon. De ene dag ben je tegenstander van het systeem, de volgende dag pas je je aan. En de derde dag ben je beiden.” Hij geeft een voorbeeld: “’s middags gaf ik mijn mening, maar ’s avonds was ik alweer bang dat ik in de gevangenis zou worden gegooid en hield ik mijn mond. Om mij de volgende ochtend weer te schamen dat ik niks had gezegd.”

Share this